Fotobewerking

Als de foto toch iets minder geworden is dan je had gehoopt, kun je hem altijd nog bewerken. Wat zijn de mogelijkheden van fotobewerking? Soms kun je een goede foto zodanig bewerken dat deze nóg mooier wordt. Bijvoorbeeld: stof en krassen retoucheren of de foto verscherpen en bijsnijden.

Digitale fotobewerking

Klassiek geschoolde fotografen hebben er soms moeite mee, maar digitale beeldbewerking is in de fotografie niet meer weg te denken. Eigenlijk is de kritiek op fotobewerking wat overdreven: vroeger werd er in de donkere kamer tijdens de ontwikkeling en het afdrukken ook ingegrepen om het beeld mooier te laten lijken dan het origineel. Eenvoudig uit te voeren fotobewerkingen kan je met ieder beeldbewerkingprogramma uitvoeren. Bijsnijden, scherper maken, kleurbalans, helderheid en contrast zijn basiscorrecties die je regelmatig moet uitvoeren in je streven naar het perfecte beeld. Picasa is een gratis programma voor fotobewerking waarmee je al deze dingen eenvoudig kan uitvoeren.

Kleur en contrast

Het verwijderen van vuil en krassen zijn uiteraard alleen van toepassing op gescande foto’s of dia’s. We vertrekken steeds vanuit een scan waarbij je de uiteindelijke uitsnijding (het deel van het beeld dat je wilt hebben) bepaald hebt. Ben je niet helemaal tevreden over de kleur, klik dan in het beeldbewerkingsprogramma Picasa op kleuren en licht aanpassen.

Stof en krassen retoucheren met “The Gimp”

Een gescande foto of dia bevat bijna altijd onregelmatigheden als gevolg van stofdeeltjes of door krassen in het negatief of dia. Vooral bij uitvergroting van het beeld zijn deze beschadigingen goed te zien. Om deze te verwijderen gebruik je een de Clone Tool of Rubber Stamp (afhankelijk van het programma). Je werkt ermee als met een penseel, waarbij je de keuze hebt tussen verschillende diktes. Je kiest het brush palet, waarbij je eveneens de doorzichtigheid van het penseel kan bepalen. Bij het retoucheren moet je ervoor zorgen dat het punt dat je wilt aanpassen en de bron waar je het vandaan haalt (met eenzelfde tint en textuur) niet te dicht bijeen liggen.

Verscherpen van het beeld

In een digitaal beeld kan je de scherpte vergroten met behulp van het beeldbewerkingsprogramma. Ga er echter niet vanuit dat je van een compleet wazige foto door middel van fotobewerking een haarscherp beeld kan produceren. Het filter zoekt volgens de drempelwaarden die je hebt ingevoerd naar pixels die die waarden niet hebben. De drempelwaarden die je invult zijn afhankelijk van de scherpte, ruis, eventuele jpeg-onregelmatigheden en resolutie. Drempel of Treshold bepalen het gebied waarbinnen gecorrigeerd moet worden. Met Picasa kan je een foto op een eenvoudige manier verscherpen.

Programma fotobewerking

Met een programma voor fotobewerking kan je eindeloos blijven experimenteren, zeker met de meer geavanceerde. Zo kan je, wanneer je daar de tijd voor neemt een overbevolkt strand omtoveren tot een aards paradijs of een onbewoond eiland. Storende elementen op de achtergrond of zaken in de natuur die er niet thuishoren kan je met de software laten verdwijnen. Maar het gevaar bestaat dat je daardoor minder kritisch op jezelf zal zijn bij het maken van een opname. Fotografie is een creatief medium waarbij alles draait rond kijken, observeren. Blijf dat doen en ga alert te werk bij het fotograferen. Bedenk dat het beeld dat je in je hoofd hebt toch nog iets beter kan. En probeer het. Zo geef je jouw foto’s persoonlijkheid en het karakter waarmee jij je kunt onderscheiden.

Belichting

Belichting is één van de belangrijkste aspecten van een goede foto. Hier vindt u enkele tips voor goede belichting. Flitslicht, scherptediepte, bewegende voorwerpen fotograferen, het komt allemaal aan de orde.

Schrijven met licht

Het woord fotografie is eigenlijk afgeleid van de woorden licht en schrijven: bij iedere foto die je neemt, schrijf je dus als het ware met licht. Meer nog dan de keuze van je onderwerp is licht de belangrijkste factor bij het fotograferen. Een goede belichting geeft immers het beste de sfeer weer die je op het moment van de opname ervaart. Gelukkig zijn de meeste camera’s uitgerust met een automatische lichtmeter die de juiste informatie doorgeeft aan de processor in je digitale camera. Deze processor geeft de instructies over het licht door aan de sluiter en het diafragma. Het is het samenspel van deze twee dat voor de ideale belichting van je foto zorgt. De sluiter bepaalt de tijd dat het licht binnenvalt en het diafragma regelt de hoeveelheid licht.

Spelen met licht

Naast het ‘schrijven’ met licht kan je er ook mee spelen. Dit kan je doen als je net dat ene speciale effect wil bereiken of wanneer de omstandigheden je ertoe dwingen. Om met licht te kunnen spelen, is het echter noodzakelijk dat je een camera hebt waarbij de sluitersnelheid en/of het diafragma ook handmatig instelbaar zijn.

Snel bewegende voorwerpen

Snel bewegende voorwerpen kan je toch vastleggen met een gekozen sluitersnelheid vanaf 1/125 tot 1/1000 seconde. De beweging wordt dan als het ware bevroren in het beeld. De meeste camera’s waarbij je de snelheden kan instellen, hebben een schaal van 1,1/2, 1/4, 1/8, 1/15, 1/30, 1/60, 1/125, 1/250, 1/500 en zelfs tot 1/1000 seconden.

Scherptediepte

Het diafragma (of de lensopening) bepaalt naast de hoeveelheid binnengelaten licht ook de scherptediepte. Wanneer je een foto wil maken waarbij slechts een beperkt deel scherp moet zijn, kies je voor een diafragma met een kleine scherptediepte, bijvoorbeeld 2.8 of 4. Wil je in het beeld zoveel mogelijk scherp krijgen, zowel in de voorgrond als in de achtergrond, dan kies je voor een kleiner diafragma (11 of 22). De scherptediepte wordt daardoor groter. (De meeste camera’s hebben een diafragmaschaal van 2, 2.8, 4, 5.6, 8, 11, 16 en 22).

Flitslicht

Soms is het aanwezige natuurlijke of kunstlicht onvoldoende om een goede foto te kunnen maken en dan heb je vanzelfsprekend een flitser nodig. De flitser geeft (ook na automatische lichtmeting) juist voldoende licht voor de ideaal belichte foto. Hou er echter wel rekening mee dat de sfeer van de foto kan veranderen. Zo krijgt bijvoorbeeld een romantisch etentje bij kaarslicht bij een geflitste foto een wat ‘plattere’ sfeer. Om dat te vermijden kan je een flitser gebruiken als invulflits, ook overdag. Het natuurlijke licht wordt er niet door overheerst en hinderlijke schaduwpartijen worden opgevuld. Zo is in het geval van het romantisch etentje het invullicht van de flitser voldoende om je foto te maken en dit zonder dat het kaarslichteffect verdwijnt. Sommige camera’s zijn overigens uitgerust met een rear-curtain flitslicht: de flitser komt daarbij pas in werking aan het eind van een lange belichtingstijd (bijvoorbeeld van 1/8 tot 1 of 2 seconden). Hierdoor ontstaat er, zeker wanneer je voorbijgaande mensen fotografeert, een bewegingseffect in de foto. Het principe is simpel: het rear-curtain flitslicht onderbreekt abrupt de vervaging van de beweging waardoor het centrale onderwerp toch nog scherpe contouren krijgt en dit terwijl de achtergrond bewogen blijft.

Zoveel je maar wil

Het grote voordeel van een digitale camera is dat je onbeperkt beelden kan maken. Je hebt immers onmiddellijk de mogelijkheid om de foto te bekijken en je kan meteen een keuze maken. Bovendien kan je naar hartelust oefenen met verschillende sluitersnelheden of diafragma’s en met de flitser. Daarnaast geven de huidige camera’s de fotograaf steeds meer mogelijkheden. Het betekent wel dat in- en uitzoomen, het lichtmeten en het flitsen energie vragen. Panasonic Batteries heeft een bijzonder uitgebreid gamma batterijen dat voor ieder type camera een specifieke oplossing biedt. De belichting van uw foto aanpassen? Ondanks de juiste instellingen kan een foto toch tegenvallen. Dan is het handig om naderhand de belichting te kunnen aanpassen met een fotoprogramma, bijvoorbeeld Picasa. Picasa is gratis foto software waarmee je de kleuren en belichting van foto’s kan bijstellen, foto’s kan bijsnijden, scherper maken, in een webalbum kan weergeven, tot poster verwerken, op een CD of DVD branden en nog veel meer.

Flitser

Belichting is een belangrijk aspect van fotograferen. Op welke manier kan een flitser daar een rol in spelen? Waar let je op bij de keuze en het gebruik van een flitser? Dit hoofdstuk van deze digitale workshop geeft u informatie over goed flitsen, de slave flitser en de externe flitser.

Goed flitsen

Soms moet je de natuur een handje helpen. Bijvoorbeeld wanneer jouw ogen een schitterende lichtval waarnemen. Helaas functioneert een camera anders dan je oog, in die zin dat een camera minder lichtgevoelig is dan het menselijke oog. Is er onvoldoende licht dan heb je kunstlicht nodig. Gelukkig beschikken de meeste digitale camera’s hebben over het algemeen een ingebouwde flitser. Maar het vermogen daarvan is eerder beperkt. Dat is vooral lastig als je binnenopnames moet maken. In een interieur is er vaak heel weinig licht en zelfs met flitslicht zijn veel foto’s toch nog te donker. Het bereik van zo’n ingebouwde flitser is meestal niet meer dan 3 à 4 meter, waardoor de achtergrond slecht of helemaal niet belicht wordt. Maar ook de belichting van het onderwerp laat te wensen over: te vlak, te sterke schaduwen en de gevreesde rode oogjes. Dat laatste is te vermijden door een externe, losse flitser te gebruiken of de rode ogen met een beeldbewerkingprogramma zoals Picasa te verwijderen. Sterke schaduwen en een platte belichting kan je verhelpen door met je toestel wat afstand te nemen. Niet te ver, want anders is de foto onderbelicht, maar kom je te dicht dan is de foto overbelicht! Met Picasa kan je eventueel naderhand ook de kleuren en belichting aanpassen. Maar je kan het bereik van je flitser ook nog op andere manieren beïnvloeden. Door de gevoeligheidswaarde – het best 400 ISO – op te drijven, vergroot je het bereik. Daarnaast is het aangeraden om het zoekerbeeld zoveel mogelijk te vullen met het onderwerp, omdat de lichtmeter in de camera de flitser stuurt.

Slave-flitser

Bij digitale camera’s ontbreekt vaak een aansluiting voor een losse, externe flitser. In dat geval gebruik je een slave-flitser. Dat is een losse flitser die gestuurd wordt door de ingebouwde flitser van de camera, dankzij een foto-elektrische cel. Met een externe flitser kan je indirect flitsen: je behoudt de gewenste afstand, maar het licht wordt diffuus gemaakt doordat het via muren en plafond weerkaatst op het onderwerp. Het gevolg is dat je zachte schaduwen krijgt en geen witte gezichten meer. Let er wel op dat je de flitser richt op een wit of neutraal gekleurd plafond. De slave-flitser kan je zelf, of iemand anders, in de hand houden. Maar je kan de losse flitser ook op een flitsbeugel plaatsen. Je schroeft de camera op de beugel en je schuift de flitser op het handvat.

Oefenen!

Het grote voordeel van een digitale camera is dat je onbeperkt kunt experimenteren. Dus ook met je flitser. Oefen daarom volop met verschillende instellingen op je camera, afstanden tot het onderwerp en standen van je flitser. Je ziet direct het resultaat van de oefeningen in de display. Beschikt jouw camera over instelbaar diafragma en sluitertijden, dan heb je ongelooflijk veel mogelijkheden om tot die ene, perfect belichte foto te komen.

Tegenlicht

Het is een wijdverbreid misverstand dat je niet tegen de zon in moet fotograferen. Je kunt op deze manier juist prachtige opnames maken, en niet alleen van zonsondergangen. Wel moet je aan een paar zaken denken.

Gevaar

Pas echter wel op met het fotograferen van de zon zelf, zeker als je met een telelens werkt. Zowel je beeldsensor als je ogen kunnen hierdoor schade oplopen. Daarnaast is de suggestie van de zon vaak mooier dan de zon zelf. Dus liever de zon die bijna achter een wolk of boom wegkruipt dan de volle zon die een spierwitte vlek op de foto oplevert.

Contrasten

Voordeel van het fotograferen tegen de zon in, is dat je een hoger contrast krijgt. Dus zeker geen grauwe plaatjes die een hete dag aan het strand nogal eens wil opleveren. Dit contrast komt het mooiste uit wanneer je de foto later omzet in zwartwit.

Belichting

Als je de belichting vast kunt zetten op je onderwerp, dan geeft dat het mooiste resultaat. Toch zul je de resultaten even op je schermpje terug moeten kijken om eventueel nog opnames met andere belichting te kiezen. Meestal zie je dat een tegenlichtfoto heel veel licht in zich heeft. De lichtmeter springt hier op in door de sluitertijd te verkorten, met als gevolg hele donkere foto’s. Bij veel licht moet je daarom vaak handmatig overbelichten, wannneer je wilt dat je onderwerp niet volledig zwart word. Ook kun je het onderwerp oplichten door de flits te gebruiken.

Algemene tips

Onderwerp kiezen

Bepaal liefst vooraf wat u wilt gaan fotograferen en hoe u dat in beeld wilt gaan brengen. Maak van het onderwerp meerdere opnamen uit diverse standpunten, hoeken, lichtinvalpunten en uitsnedes. Kies dan later de beste opname. Als u meerdere onderwerpen wilt fotograferen is het handig om een lijstje te maken en weg te strepen wat u al opgenomen heeft.

Onderwerp insluiten

Probeer het onderwerp zo nauw mogelijk in te sluiten. Als er een opname van het zwembad gemaakt moet worden tracht dan het zwembad zo beeldvullend mogelijk in te kaderen. Zeker met telefoon camera’s is het van belang om zo dicht mogelijk bij het onderwerp te komen. Als er een overzicht gemaakt wordt tracht dan ergens in het overzicht een detail zo dicht mogelijk in de buurt van de camera op te nemen om de opname nog interessanter te maken.

Standpunt

Probeer de foto eens te maken vanuit een ander standpunt dan u gewend bent. De meeste foto’s worden gemaakt op ooghoogte, soms is het echter interessanter wanneer u de opname op uw knieën, buik of nog lager maakt of juist meer de hoogte opzoekt op een trap, heuveltje of iemands schouders… Centraal of decentraal?Probeer het onderwerp zoveel mogelijk decentraal in beeld te brengen. Een centraal gefotografeerd onderwerp is meestal saaier dan een decentraal opgenomen onderwerp. Probeer het onderwerp meer boven of onder in het beeld te plaatsen, ook dat maakt het beeld vaak attractiever.

Staand of liggend

De meeste foto’s worden in het liggende formaat gemaakt. Dit is voor veel mensen de gemakkelijkste manier van fotograferen i.v.m. het vasthouden van de camera. Het kan echter geen kwaad ook af en toe eens een staande opname te maken. Sluit het onderwerp dan goed in om te voorkomen dat er te veel ruimte om het onderwerp heen ontstaat. Recht of schuinNiet alle foto’s hoeven recht gemaakt te worden, ook de horizon mag best eens schuin lopen. Vaak krijgt het onderwerp in de voorgrond een leuker accent als de camera iets schuiner gehouden wordt.

Met de zon mee of er tegen in?

Met de zon mee fotograferen levert meestal correct belichte opnamen op maar is niet altijd het fraaist. Tegellicht of licht van opzij maakt het onderwerp vaak veel interessanter. Strijklicht van opzij geeft vaak ook meer diepte aan het onderwerp. Let bij tegenlicht wel op dat de zon niet direct in de lens schijnt. Gebruik een zonnekap en een object zoals een boom, muur of persoon om te voorkomen dat de opname verkeerd belicht wordt of dat er vlekken in beeld ontstaan.

Belichting

Controleer altijd met een proefopname of de belichting goed is. Een slecht belichte foto is tot op zekere hoogte nog wel te corrigeren maar voorkomen is beter dan genezen. Als de camera over een tegenlicht correctie of spotmeting beschikt is het zeker de moeite waard om dit uit te proberen als de lichtomstandigheden te extreem zijn. Slecht belichte foto’s zijn te licht of te donker. Ook het contrast wordt ongunstig beïnvloed door een slechte belichting.

Contrast

Contrast is de hoeveelheid waarneembare details in lichte en donkere partijen. Wanneer bijvoorbeeld een witte bruid in een donkere tunnel staat is de vraag hoeveel er nog zichtbaar is van het kant van de bruidsjurk en hoeveel we nog kunnen zien van de graffiti schilderingen in de tunnel? Het genoemde voorbeeld geeft aan dat de contrast omstandigheden niet ideaal zijn. De enige oplossing is het verplaatsen van het onderwerp of bijlichten met flits of lampen. Het verplaatsen van het onderwerp geeft vaak het beste resultaat. Zet de bruid buiten in de tuin onder schaduw van wat bomen waar hier en daar iets licht doorheen valt en het contrast is teruggebracht tot een beheersbaar niveau.

Scherpte

Controleer met een proefopname altijd de scherpte. Veel camera telefoons hebben een zogenoemde fixed focus lens. Deze lens is altijd scherp vanaf een bepaalde afstand. Camera’s met autofocus hebben soms de neiging om het onderwerp te missen waardoor de achtergrond wel scherp is maar het onderwerp niet. Ook dit is met behulp van een proefopname goed vast te stellen. De meeste digitale camera’s met autofocus hebben een markering in de zoeker staan waar de scherpstelling plaatsvindt. Onscherpe opnamen kunnen helaas niet meer worden gecorrigeerd.

Bewegingsonscherpte

Bewegingsonscherpte ontstaat meestal in situaties waar er weinig licht beschikbaar is of waar het onderwerp snel beweegt. Soms geeft het de opname een dynamische uitstraling soms is de opname onbruikbaar door totale onscherpte. Tegenwoordig hebben de meeste digitale camera’s met grote lenzen de mogelijkheid om bewegingsonscherpte te corrigeren met behulp van “beeld stabilisatie”. Als uw camera deze mogelijkheid heeft, is het raadzaam deze functie constant aan te laten staan. Ook kan het helpen om de flits te gebruiken om de beweging te “bevriezen”. Een vaste hand of een statief biedt ook een goed alternatief. Wanneer mogelijk kan men de camera ergens op zetten en de zelfontspanner gebruiken om te vermijden dat de opname onscherp wordt. Indien het onderwerp snel beweegt helpt alleen nog maar het verhogen van de sluitertijd of meebewegen met het onderwerp tijdens de opname. Onscherpe beelden zijn helaas niet of nauwelijks te corrigeren met fotocorrectie software.

Vallende lijnen

Wie wel eens met een groothoekobjectief een gebouw gefotografeerd heeft, weet ongetwijfeld wat er bedoeld wordt met het begrip ‘vallende lijnen’. Het is net alsof het gebouw achterover leunt en dreigt om te vallen, doordat de lijnen schuin worden weergegeven. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, heeft het brandpunt van het objectief hier feitelijk niets mee te maken. Vallende lijnen worden veroorzaakt doordat je de camera schuin houdt, waardoor het beeld schuin op het filmvlak wordt geprojecteerd. Het gebouw staat immers schuin ten opzichte van het filmvlak (of andersom, het filmvlak staat schuin omdat de camera schuin wordt gehouden). Bij gebruik van een groothoek doe je dit sneller dan bij een teleobjectief, maar verder is het brandpunt niet van belang. Vallende lijnen kan je dus voorkomen door de camera precies recht te houden, zodat het filmvlak en het gebouw recht blijven ten opzichte van elkaar. Dan staan de gebouwen, ook bij een sterke groothoek, keurig recht op de foto. Het probleem is dan alleen dat je wel erg veel voorgrond op de foto zult krijgen. Kies daarom die voorgrond met zorg en zet er iets interessants op. Overigens is het met digitale nabewerking ook mogelijk om de lijnen weer recht te zetten.

Het polarisatiefilter

Wie van die prachtige Hollandse luchten wil fotograferen, met spierwitte wolken in een diepblauwe lucht, zal daarvoor vaak een zogenaamd polarisatiefilter gebruiken. Voor deze toepassing is dat filter heel bekend en geliefd. Om een maximale werking te krijgen, moet je ervoor zorgen dat de zon onder 90 graden staat ten opzichte van de optische as van de lens. Onder een andere hoek werkt het filter minder en bij pal tegenlicht of bij het zonnetje in de rug, werkt een polarisatiefilter helemaal niet meer. Gebruik je een spiegelreflexcamera, dan kan je uiteraard precies zien wat het effect wordt en eventueel de werking van verminderen door het filter niet helemaal in z’n maximale stand te draaien. Veel minder bekend is dat een polarisatiefilter ook nog voor twee andere toepassingen prima gebruikt kan worden. Omdat gereflecteerd licht gepolariseerd wordt, kan een polarisatiefilter reflecties vrijwel helemaal verwijderen (met uitzondering van reflecties op metalen oppervlakten). Zo kan je de weerspiegeling op water opheffen, maar bijvoorbeeld ook de reflecties van licht op bladeren van bomen. Bij gebruik van een polarisatiefilter lijken de bladeren veel frisser en jonger groen te worden. Met een polarisatiefilter kan je zelfs de werking van nevel (deels) oplossen. Nevel is immers niets anders dan reflectie van het licht op minuscule druppeltjes die in de lucht zweven. Door die reflectie worden de druppeltjes zichtbaar als een ondoordringbare waas. Met een polarisatiefilter kan je een mistige dag niet zonnig maken, maar kan je een lichte waas van nevel wel grotendeels opheffen.

Het werken met de (super)groothoek

Bij veel fotografen bestaat de indruk dat vooral het teleobjectief de meest bijzondere mogelijkheden biedt. We zien dit aan de grote belangstelling voor steeds langere telezooms, zoals bijvoorbeeld de 18-200mm. En we zien dit ook bij compactcamera’s, waar modellen met lange telezooms duidelijk beter verkocht worden dan modellen met zoomobjectieven die meer in groothoekbereik liggen. Een groothoek zoomobjectief wordt veel minder gekocht dan bijvoorbeeld een teleobjectief en dat is best wel jammer, want juist met sterke groothoeken zijn hele bijzondere foto’s te maken. Een teleobjectief doet feitelijk niets anders dan een deelvergroting maken uit een foto. Zou je een foto die gemaakt is met een korter brandpunt laten uitvergroten, dan krijg je dezelfde foto. Een sterke groothoek daarentegen doet iets heel anders. Omdat zo’n objectief een beeldhoek heeft die veel groter is dan onze eigen ogen, kunnen we daarmee foto’s maken die sterk tot de verbeelding spreken door hun enorme wijdsheid en enorme “diepte”. De creatieve mogelijkheden van een groothoek zijn daarmee feitelijk veel groter dan die van een teleobjectief, mits we wel goed realiseren hoe we ermee om moeten gaan. De meest gemaakte fout bij het fotograferen met groothoek is dat we de afstand tot het onderwerp te groot maken. Daardoor wordt het onderwerp te klein en komt er een flink stuk, meestal oninteressante, voorgrond op de foto. Ga dichterbij! Bij gebruik van een groothoek moet u echt “op uw onderwerp kruipen” en desnoods van 50 cm afstand of minder fotograferen. Pas dan komt de dynamiek van de grote beeldhoek echt tot z’n recht. Bedenk dat dit wel betekent dat ook bij een groothoek soms fors gediafragmeerd zal moeten worden om voldoende scherptediepte te krijgen en dat we dus ook hier vaak vanaf statief zullen moeten werken!

Optimaal scherpstellen (hyperfocaal)

Zoals waarschijnlijk wel bekend, zorgt een kleiner diafrgama (een groter diafragma-getal) voor een grotere scherptediepte. Scherptediepte betekent dat niet alleen het onderwerp waarop scherpgesteld werd ook scherp op de foto komt, maar daarnaast ook dingen die een beetje voor of achter dit scherpstelvlak liggen. Een ruwe vuistregel is daarbij dat ongeveer 1/3 van die extra scherpte vóór het onderwerp ligt en 2/3 erachter, maar dat is slechts een indicatie en gaat lang niet in alle situaties op. Vooral bij fotograferen van landschappen is een grote scherptediepte vaak gewenst. Veel fotografen missen een flink deel van de beschikbare scherptediepte, door hier niet bewust gebruik van te maken. Ze stellen scherp op het oneindige en laten daarmee dus ruwweg 2/3 van de beschikbare scherptediepte wegvallen. Om maximaal gebruik te maken van de scherptediepte, moeten we daarom niet scherpstellen op het oneindige, maar op een punt verder naar voren. Het oneindige brengen we daarna binnen de scherptediepte door voldoende te diafragmeren, waarbij we ook nog eens een stuk extra scherpte vóór het ingestelde punt erbij winnen. De zo bereikte instelling met een maximale benutting van scherptediepte noemen we de “hyperfocale instelling”.Wie proefondervindelijk die hyperfocale instelling uitzoekt, zal ontdekken dat de extra winst vóór het scherpstelpunt steeds een halvering is van dat scherpstelpunt. Met andere woorden: stelt u scherp op bijvoorbeeld 10 meter en diafragmeert u net voldoende om het oneindige binnen de scherpte te laten vallen, dan blijkt de scherptegrens aan de voorzijde precies op de helft van die 10 meter, dus 5 meter te vallen. Daarvan kunt u gebruik maken als u in de praktijk snel een hyperfocale instelling wilt maken. Stel eerst scherp op het voorste punt dat in de foto nog scherp moet zijn. Kijk op het objectief welke afstand dit is. Zet de scherpstelling nu op 2x die afstand (dat gaat het makkelijkste met handinstelling, met autofocus moet je scherpstellen op een punt 2x zo ver als het voorste pund dat je nog scherp wilt hebben) en sluit vervolgens het diafragma zo ver dat het oneindige binnen de scherpte komt (dit kunt u zien op het objectief, door de zoeker of anders m.b.v. een scherptediepte-tabel). Voila, de hyperfocale instelling is bereikt.

Portretten met een groothoek

U heeft het vast wel eens ergens gelezen, want de meeste mensen weten dit wel: Portretfoto’s mag je niet met een groothoeklens maken, want dan wordt het gezicht helemaal vervormd. Nietwaar? Inderdaad: NIET waar! Vervorming van gezichten e.d. treedt niet op omdat u een groothoeklens gebruikt, maar omdat u te dicht bij het onderwerp bent gaan staan. Het is de afstand die voor de vervorming zorgt, niet het brandpunt. [G2:383 class=g2image_float_left] U kunt dus wel degelijk een portretfoto maken met een groothoeklens, als u de afstand tot de geportretteerde maar niet kleiner maakt dan zo’n anderhalve meter. Natuurlijk krijgt u dan geen ‘echt’ portret, dus geen foto met alleen het gezicht van de persoon erop. Dat is het gevolg van de groothoek, die immers een brede beeldhoek heeft. Er komt veel meer op dan alleen een gezicht, maar dat hoeft helemaal niet erg te zijn. Zo kunt u bijvoorbeeld laten zien in welke omgeving de persoon leeft, ook dat kan heel veel bijdragen aan de foto. Het gebruik van een groothoek is juist aan te raden om een persoon in z’n of haar omgeving te laten zien. Zou u een langer brandpunt gebruiken, dan moet u erg veraf gaan staan om toch nog een stukje omgeving op de foto te krijgen. Daardoor lijkt die omgeving ‘vast te plakken’ aan de persoon. Met een groothoek ziet het er juist veel natuurlijker uit, omdat u voldoende dichtbij kunt blijven. Dat geeft ook een beter contact tussen onderwerp en camera. En u legt meer het accent op de persoon. In dit voorbeeld wordt het kindje wat vergroot t.o.v. de moeder, doordat er van relatief dichtbij is gefotografeerd. De afstand was klein, maar net groot genoeg om geen opvallende vervorming in het gezicht te krijgen. Door met een sterke groothoek te werken (24mm = 17 mm bij een cropfactor van 1,5), komt toch een flink deel van de omgeving op de foto.